zwanenhals

mannelijk (de)/ˈzwanə(n)ˌhɑls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lange, gebogen hals
    De oude vrouw had vanwege het harde werken een zwanenhals gekregen.
  2. S-vormige buis
    De afvoerbuis van een gootsteen bevat vaak een zwanenhals om stankgeur tegen te gaan.