zweefvliegen
/ˈzwefliɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (sport) vliegen en besturen van een zweefvliegtuigEr wordt daar veel gezweefvliegd.
zelfstandig naamwoord
- (tweevleugeligen) een familie van insecten uit de orde vliegen en muggen of tweevleugeligen (Diptera). In Nederland zijn 363 soorten zweefvliegen waargenomen, 303 daarvan worden als inheems beschouwd. Sommige andere vliegenfamilies vertonen gelijkende kenmerken, zoals de familie van de wolzwevers (Bombyliidae)
Etymologie
* ZNW "zweefvlieg" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelsglide
Fransfaire du vol à voile, planer
DuitsSegelfliegen
Spaansvuelo a vela, volar a vela, volar sin moto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek