zweren

/ˈzwerə(n)/

Wat is de betekenis van zweren?

zweren betekent: (ov) met een eed bekrachtigen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een eed bekrachtigen
werkwoord
  1. absol, onpr (absol), (onpr) geïnfecteerd raken, etteren

Voorbeelden van "zweren" in een zin

  • Hij zwoer een eed op de grondwet.
  • Met het zweren van haar eeuwige trouw aan de toekomstige koning van Nederland was voor Margarita het leven in de schijnwerpers echt begonnen.
  • Ondanks medicatie zwoor die wond nog wekenlang.
  • En je hebt er - jezus - nu vast aj zevenendertig uur dezelfde pleister op laten zitten, het onder die warme, vochtige oude pleister laten zweren.
  • Alleen zijn laatste vrouw, Catharina Parr, overleefde hem, en er werd beweerd dat zij dezelfde weg zou zijn gegaan als Anna Boleyn en Catharina Howard, als ze niet zo'n goede verpleegster en het zwerende been van de koning niet zo pijnlijk was geweest.

Etymologie

*[B]: van Middelnederlands "sweren", gaat via Protogermaans *sweran "pijn doen" terug op *suer- "verwonden"

Uitdrukkingen

  • Bij kris en kras zweren / Bij hoog en laag zwerenKeihard volhouden dat iets zo is (zonder dat dit echt waar hoeft te zijn)
  • Ergens bij zwerenHeel veel vertrouwen in iets stellen, iets als het enige mogelijke hulpmiddel zien of het onmisbaar vinden

Vertalingen

Engelsswear, fester
Fransjurer, suppurer
Duitsschwören, eitern
Spaansjurar, ulcerarse, supurar