Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

zweterigheid

vrouwelijk (de)/ˈzwetΙ™rΙ™xˌhΙ›it/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (van levende wezens) eigenschap van snel of veel te transpireren
    Veel alcohol - aan boord zo overvloedig verkrijgbaar - is slecht omdat het ook de hartslag versnelt, zweterigheid kan doen toenemen en (nerveuze) maagkrampen kan verergeren.
    Haar zuiverheidsmanie had Bennie soms vermaakt; meestal gaf ze hem een onaangenaam gevoel, herinnerde ze hem aan zijn eigen zweterigheid.
  2. toestand van bezweet zijn
    De romans die in die trant waren geschreven waren bijna altijd ook emancipatieromans, het literair realisme hoorde bij de opkomst van de burger en zijn fatsoen en later bij de maatschappelijke verheffing van de werkman en de kleine middenstand. (…) De zweterigheid van de verdrukten die ze aan hun boezem koesterden.
    Ik geef toe, ik hou niet van kaas. Zo lang als ik me kan herinneren is dit zuivelproduct me een gruwel. Ik haat de reuk, de aanblik en die smeltende zweterigheid.
  3. vochtigheid als gevolg van transpiratie
    {{ouds
  4. (van dingen) eigenschap veel transpiratie te veroorzaken
    Het toppunt van jaren-zestig huisvrouwenvreugde: het nylon overhemd - makkelijk te wassen en direct droog - is om zijn onverdraaglijke zweterigheid afgeschaft.
    (…) hoe zeg je nog iets schokkends over seks in een tijd dat die avond aan avond in al zijn zweterigheid van het beeldscherm de huiskamer binnenkomt (…)
  5. figuurlijk (figuurlijk) overdreven angst
    Al twintig jaar zie je vooral in Hilversum de zielige zweterigheid van media die bang zijn maatschappelijke onderstromen in campagnetijd te missen.
  6. muziek, figuurlijk (muziek) (figuurlijk) overmaat aan effecten om indruk te maken op het publiek
    De gepassioneerde momenten klonken vervoeren en stralend, zonder maar één moment te ontaarden in zweterigheid en krachtpatserij.

Etymologie

*afgeleid van "zweterig"