Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
zweterigheid
vrouwelijk (de)/ΛzwetΙrΙxΛhΙit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (van levende wezens) eigenschap van snel of veel te transpirerenVeel alcohol - aan boord zo overvloedig verkrijgbaar - is slecht omdat het ook de hartslag versnelt, zweterigheid kan doen toenemen en (nerveuze) maagkrampen kan verergeren.Haar zuiverheidsmanie had Bennie soms vermaakt; meestal gaf ze hem een onaangenaam gevoel, herinnerde ze hem aan zijn eigen zweterigheid.
- toestand van bezweet zijnDe romans die in die trant waren geschreven waren bijna altijd ook emancipatieromans, het literair realisme hoorde bij de opkomst van de burger en zijn fatsoen en later bij de maatschappelijke verheffing van de werkman en de kleine middenstand. (β¦) De zweterigheid van de verdrukten die ze aan hun boezem koesterden.Ik geef toe, ik hou niet van kaas. Zo lang als ik me kan herinneren is dit zuivelproduct me een gruwel. Ik haat de reuk, de aanblik en die smeltende zweterigheid.
- vochtigheid als gevolg van transpiratie{{ouds
- (van dingen) eigenschap veel transpiratie te veroorzakenHet toppunt van jaren-zestig huisvrouwenvreugde: het nylon overhemd - makkelijk te wassen en direct droog - is om zijn onverdraaglijke zweterigheid afgeschaft.(β¦) hoe zeg je nog iets schokkends over seks in een tijd dat die avond aan avond in al zijn zweterigheid van het beeldscherm de huiskamer binnenkomt (β¦)
- (figuurlijk) overdreven angstAl twintig jaar zie je vooral in Hilversum de zielige zweterigheid van media die bang zijn maatschappelijke onderstromen in campagnetijd te missen.
- (muziek) (figuurlijk) overmaat aan effecten om indruk te maken op het publiekDe gepassioneerde momenten klonken vervoeren en stralend, zonder maar één moment te ontaarden in zweterigheid en krachtpatserij.
Etymologie
*afgeleid van "zweterig"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek