zwezerik
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) klierachtig, hormoonvormend orgaanDe oude vrouw is onwel geworden van de bedorven zwezerik.
Etymologie
* In de betekenis van ‘borstklier van een kalf (gegeten als delicatesse)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1701
Vertalingen
Engelsthymus, thymus gland
Fransthymus, ris
DuitsThymus, Thymusdrüse, Bries
Spaanstimo
Italiaanstimo
Japans胸腺, きょうせん, kyousen
Poolsgrasica
Zweedsbräss
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek