zwirrelen

/ˈzwɪrələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) fladderend dwarrelen
    De gewonde stormvogels bleven zwirrelen boven zijn lakenen terwijl hun aanklepperend vlerkengeruisch hem telkens deed gillen en schreeuwen van afgrijzen.De Oude Waereld. Querido

Etymologie

*(freqtt) zwieren