zwirrelen
/ˈzwɪrələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) fladderend dwarrelenDe gewonde stormvogels bleven zwirrelen boven zijn lakenen terwijl hun aanklepperend vlerkengeruisch hem telkens deed gillen en schreeuwen van afgrijzen.De Oude Waereld. Querido
Etymologie
*(freqtt) zwieren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek