aïs
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑˈjɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) een halve toon verhoogde toon "a"De toon “aïs” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de toon “bes”.
- (muziek) de grondtoon (tonica) van de “aïs-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladderOp de notenbalk van een fluitsonate in aïs, staan zeven kruisen als voortekens.
- (muziek) de grondtoon van het “aïs-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toonDe drie tonen van het aïs-mineurakkoord (symbool: Am) in grondligging, zijn: aïs - cis - eis.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘met een halve toon verhoogde a’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1890
Vertalingen
EngelsA-sharp, Aïs-sharp minor, A-sharp minor
Fransla dièse, la dièse mineure, fa dièse mineur
Duitsaïs, aïs-Moll, aïs-Moll
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek