Abraham

mannelijk (de)/ˈɑbrahɑm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) pop die Abraham voorstelt, gegeven aan mannen die vijftig jaar worden, gemaakt van brooddeeg, speculaas of ander materiaal
    Hij kreeg een abraham op zijn 50e verjaardag.
  2. vijftig jaar oude man
    Tientallen familieleden, vrienden, buren en andere dorpsbewoners kwamen woensdagavond langs om de kersverse abraham te feliciteren.

Etymologie

*(eponiem) dat verwijst naar de Bijbelse figuur Abraham, de vernederlandste vorm van (avraham), gespeld met een kleine letter volgens De oorsprong is vermoedelijk een interpretatie van [https://www.statenvertaling.net/bijbel/joha/8.html Joh. 8:57] waarbij iemand die vijftig jaar is, Abraham gezien zou hebben