vijftiger

mannelijk (de)/ˈfɛiftəɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. letterkunde (letterkunde) schrijver behorend tot de Vijftigers, een stroming die opgang maakte in de jaren 50 van de 20e eeuw
    Net als andere Vijftigers als Paul Rodenko en Bert Schierbeek, die later nog een gedicht over Piet Keizer zou schrijven, kreeg Vinkenoog een basisplaats toebedeeld. Wie ook aantrad in de Podium-wedstrijd was Remco Campert, een Vijftiger van het eerste uur.

Etymologie

* afgeleid van vijftig , verwijzing naar de jaren 50 van de 20e eeuw