Albatros
mannelijk (de)/ˈɑlbaˌtrɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (buissnaveligen) benaming voor vogels uit de familie , grote zeevogels met lange vleugelsVeel mensen vinden de albatros een mooie vogel.Een albatros vloog drie dagen lang met het schip mee; achteroverliggend in onze stoelen volgden we de eindeloos gracieuze bewegingen van de vogel en berekenden we de geweldige kracht van die ruim drie meter vleugelwijdte die boven ons rondcirkelde.
- (sport) (golf) slagbeurt waarbij een speler een hole maakt in drie slagen minder dan een goede speler daar gemiddeld voor nodig heeftEen albatros wordt maar heel zelden geslagen.
Etymologie
*van "albatross", in de betekenis van ‘stormvogel’ aangetroffen vanaf 1763
Vertalingen
Engelsalbatross
Fransalbatros
DuitsAlbatros
Spaansalbatros
Italiaansalbatros
Portugeesalbatroz
Poolsalbatros
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek