Ark
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑrᵊk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) vaartuig waarop men kan wonen
- kast voor de Torarollen
Etymologie
**[1] in de betekenis van ‘woonschuit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642
Uitdrukkingen
- ark des verbonds
Vertalingen
Engelsark
Fransarche
DuitsHausboot, Wohnschiff
Spaansarca
Italiaansarca
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek