Arts

mannelijk (de)/ɑrts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch, beroep (medisch) (beroep) een geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
    Ga morgen even bij de arts langs.
    Zij werkt als arts in het ziekenhuis.
    Uitvoerig sprak hij over zijn plannen om ooit arts te worden, maar nu was hij nog vooral de ultieme vrije hippie die alle hoeken van de wereld wilde verkennen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geneesheer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1586

Vertalingen

Engelsdoctor
Fransmédecin
DuitsArzt
Spaansmédico
Italiaansmedico
Poolslekarz
Zweedsläkare
Deenslæge