Aswoensdag
mannelijk (de)/ˈaswunzdɑɣ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) (christendom) eerste dag van de veertig dagen durende vastentijd, en daarmee de eerste dag na carnavalDeze katholieke familie heeft net deelgenomen aan de dienst op Aswoensdag. In de kathedraal van Managua, Nicaragua, ontvingen ze een askruisje, ten teken dat de veertig dagen durende vastenperiode tot aan Pasen is aangebroken.De gemeenteraadsverkiezingen van 2014, aanvankelijk gepland op woensdag 5 maart, gaan plaatshebben op woensdag 19 maart, zo bleek woensdag. Aswoensdag valt op 5 maart en dan moeten nogal wat mensen bijkomen van het carnaval.
Etymologie
* , geschreven met een hoofdletter volgens
Vertalingen
EngelsAsh Wednesday
Fransmercredi des Cendres
DuitsAschermittwoch
Spaansmiércoles de ceniza
ItaliaansMercoledì delle Ceneri
Zweedsaskonsdag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek