Azteek

mannelijk (de)/ɑsˈtek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die behoort tot het inheemse volk dat van de 14e tot de 16e eeuw een ontwikkelde beschaving in Mexico voortbracht
    Zou je inderdaad, zoals de Azteek, op één eetlepel chiazaad een hele dag voort kunnen?
    De furieuze Azteek knoopte daar, schreeuwend over de linies, aan vast: 'Maar als jullie Montezuma niet vrijlaten, zullen wij jullie alsnog doden en koken in chocolade... Waarom verzwelgt de aarde jullie niet, jullie die de goden van anderen stelen?'

Etymologie

*via "azteca" van "aztēcah" "mensen uit " (meervoud van "aztēcatl")