Boomgaard

mannelijk (de)/ˈbomɣart/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stuk grond met vruchtbomen
    Het is prachtig in de lente met de boomgaard in bloei.
    In het bijgebouw achter de boomgaard had ze een oud houten paneel gevonden dat ze heimelijk, alsof het smokkelwaar was, had meegenomen naar zolder.
    Nietsvermoedende konijnen hopsten door de boomgaard en op de heuvels in de verte werden geiten gehoed, de bellen om hun nek klingelden atonaal en onregelmatig, een rustgevend geluid, omdat er geen enkele opzet achter zat.

Etymologie

* In de betekenis van ‘grond met vruchtbomen’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Vertalingen

Engelsorchard
Fransverger
DuitsBaumgarten
Spaanshuerto, vergel
Italiaansfrutteto
Portugeespomar
Zweedsfruktträdgård