Bosbes

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɔzbɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht
  2. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort wilde bessendragende struik in Europa,
  3. fruit (fruit) de vrucht van
    Dagenlang liep ik door bergweides die bezaaid waren met ontelbare bosbessenstruiken. Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap. Ik at er zoveel dat ik misselijk werd en binnen de kortste keren last van mijn maag kreeg. Kennelijk is een overdosis bosbessen niet gezond.

Vertalingen

Engelsblueberry, common bilberry, European blueberry
Fransmyrtille, myrtille commune, myrtille sauvage
DuitsHeidelbeeren, Heidelbeere, Blaubeere
Spaansarándano, mirtilo
Italiaansmirtillo, mirtillo nero
Portugeesmirtilo, blueberry
RussischВакци́ниум, Ягодник, Черника
Chinees藍莓, 黑果越橘
Japansブルーベリー
Koreaans블루베리, 유럽블루베리
Arabischتوت أزرق
Turksyaban mersini
Poolsborówka, borówka czarna
Zweedsodonsläktet, blåbärssläktet, blåbär
Deensbølle, blåbær