Brand

mannelijk (de)/brɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verbranding met vuur
    Er is een brand in de school.
  2. iets dat heel warm en schadelijk is
    Ik liep als het ware met een rasp in mijn achterste (chafing noemen ze dat in Amerika) wat verschrikkelijk veel pijn deed, het was alsof ik in brand stond. Zelfs met speciaal chafing-poeder (‘Anti Monkey Butt Powder’) bleef de pijn de hele dag doorzeuren.
    Het werd haar bijna te veel; deze keer keek hij naar haar omdat hij dat wilde, en ze had het gevoel alsof haar hoofd in brand stond.
    De stem van de vrouw was als een oergeluid dat weer tot leven was gekomen, en Olive stond op en dronk een vijfde glas bubbels - o nee, dit was geen champagne, dit was een of andere sterkedrank, vuurwater dat haar ingewanden in brand zette.
  3. figuurlijk, verouderd (figuurlijk) (verouderd) glanzende kling van een zwaard
zelfstandig naamwoord
  1. merk

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "brant" van Oudnederlands "brant", als deel van toponiem aangetroffen vanaf 1001-1050, in de betekenis van ‘vuur’ aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • In brand vliegenontbranden
  • Een brandje blussenBemiddelen in een klein of groter conflict, of een niet al te groot probleem oplossen
  • In de brand zittenIn de problemen zitten
  • Moord en brand schreeuwenErg hard/uitbundig schreeuwen
  • Uit de brand zijnGeholpen zijn, problemen opgelost
  • n=3Zo helder (schoon, zuiver) als een (de) brand|
  • Dominee brand je bekje niet

Vertalingen

Engelsfire
Fransfeu, incendie
DuitsBrand
Spaansincendio
Poolspożar
Zweedsbrand