Fik

mannelijk (de)/fɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal (spreektaal) verbranding met vuur
  2. bepaald type langharige hond met spitse snuit en oren, ook gebruikt als algemene aanduiding voor niet al te grote honden
  3. spreektaal, anatomie, verouderd (spreektaal) (anatomie) (verouderd) vinger (nog wel gangbaar in het meervoud)
  4. spreektaal, anatomie, verouderd (spreektaal) (anatomie) (verouderd) mannelijk geslachtsdeel

Etymologie

*[4] herkomst onduidelijk, vergelijk "ficken"

Uitdrukkingen

  • geef mijn portie maar aan fikkie
  • op zijn fikken geven
  • op zijn fikken krijgen

Vertalingen

Engelsfire