Fik
mannelijk (de)/fɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (spreektaal) verbranding met vuur
- bepaald type langharige hond met spitse snuit en oren, ook gebruikt als algemene aanduiding voor niet al te grote honden
- (spreektaal) (anatomie) (verouderd) vinger (nog wel gangbaar in het meervoud)
- (spreektaal) (anatomie) (verouderd) mannelijk geslachtsdeel
Etymologie
*[4] herkomst onduidelijk, vergelijk "ficken"
Uitdrukkingen
- geef mijn portie maar aan fikkie
- op zijn fikken geven
- op zijn fikken krijgen
Vertalingen
Engelsfire
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek