Brem
mannelijk (de)/brɛm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een struikvormende soort uit de vlinderbloemenfamilie () met opvallende gele bloesem. De soort lijkt op de aanzienlijk zeldzamere gaspeldoorn, maar heeft geen doorns. De struik kan een hoogte van 2 m bereiken. De takken en twijgen zijn vijfkantig en niet behaardIn Bretagne komt veel brem voor.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands """ / "breme" mogelijk van Oudnederlands "bremo", als deel van plaatsnaam aangetroffen vanaf 1173, in de betekenis van ‘plant’ aangetroffen vanaf 1240
Vertalingen
Engelsgreenweed
Spaansaulaga, erizones, escoba
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek