Commandeur
mannelijk (de)/kɔmɑnˈdør/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (militair) iemand die het bevel voert, gewoonlijk over strijdkrachten
- (militair) officiersrang bij de zeemacht, tussen die van kapitein en schout-bij-nacht in en commodore bij de landmacht, respectievelijk luchtmacht
- iemand met een ridderorde, in rang boven officier en onder grootkruis
Etymologie
*van """ "waardigheidsbekleder bij ridderorde; leider", op te vatten als van commanderen , in de betekenis van ‘laagste rang van vlagofficier bij de marine’ voor het eerst aangetroffen in 1739
Vertalingen
Engelscommander
Spaanscomendador
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek