Das

mannelijk (de)/dɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) bepaald soort zoogdier, , marterachtig roofdier
    Voornaamste doodsoorzaak van de das, die opvalt door zijn markante zwart-witte kop, is nog altijd het verkeer.
  2. dierkunde (dierkunde) gebruikt als benaming voor grotere marterachtig roofdieren met een lange snuit
    Dassen zijn dol op het eten van wespen, ze graven met hun poten wespennesten op en slaan dan wild met hun poten om zich heen om die wespen te vangen. Dus als wij wapperen, denkt die wesp: help, een das, ik moet me verdedigen.
zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) lange, smalle reep stof die om de hals wordt geknoopt
    Door het bovenste knoopje van je hemd dicht te knopen, zonder das, zet je jezelf bijvoorbeeld neer als rebel of kunstenaar.
  2. kleding (kleding) langwerpige en brede lap stof om de hals
    Op de ochtend na het onweer had heer Bommel zijn warme das omgedaan om een luchtje te gaan scheppen.

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘halsdoek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1666

Uitdrukkingen

  • de das omdoen
  • jasje dasje

Vertalingen

Engelsbadger, tie, necktie
Fransblaireau, cravate
DuitsDachs, Krawatte, Schlips
Spaanstejón, corbata, bufanda
Italiaanstasso
Portugeestexugo
Russischбарсук
Chinees
Japansアナグマ
Koreaans머플러
Turksporsuk
Poolsborsuk, krawat
Zweedsgrävling
Deensgrævling