Doelen

mannelijk (de)/ˈdulən/

Betekenis

werkwoord
  1. ~ op: verwijzen naar iets
    Als hij spreekt over zijn geboorte stad, doelt hij op Den-Burg op Texel en niet op Den-Helder waar hij eigenlijk geboren is.
    Hoewel Chantal met dit gebaar generaliseerde, wist haar zus precies op wie ze doelde.
    Het verhaal waar jij op doelt, vertelde Sander verleden jaar.
  2. ~ op: zinspelen op
zelfstandig naamwoord
  1. schietbaan, oefenplaats van de vroegere schutterij
    En omgekeerd zouden onze ouders als escorte en bescherming fungeren wanneer de Amerikaanse bommenwerpers opstegen vanaf het vliegveld Gardermoen in Noorwegen op weg naar verschillende doelen in de Sovjet-Unie.

Etymologie

* In de betekenis van ‘mikken’ aangetroffen vanaf 1623