Een

mannelijk/vrouwelijk (de)/ən/

Betekenis

lidwoord
  1. onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.
    Is dat een merel of een kauwtje?
  2. ook voor meervouden in uitroepende zinnen die verbazing over een aantal uitdrukken
    En een mensen dat er kwamen kijken!
telwoord
  1. "1", het kleinste gehele getal, het getal tussen nul en twee
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen een euro en zevenendertig cent.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave een is "42".
  4. een geheel vormend
    Deze drie partijen zijn een geworden.
zelfstandig naamwoord
  1. dat wat in een (rang)ordening met 1 is aangeduid
    Gezondheid is bij mij altijd een.
    De een voor zijn proefwerk Nederlands was een straf voor afkijken.
  2. het cijfer 1
    Op zijn proefwerk stond een onderstreepte, rode een.
    Het symbool l voor "liter" wordt gemakkelijk verward met de een.
  3. enkel iets of iemand (als tegenstelling met meerdere)
    Zij zat daar in haar eentje en niemand die met haar praatte.
    Oké geef me er nog maar een, maar dat is dan ook echt het laatste wijntje dat ik drink.

Etymologie

**[B] als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • een gat in de lucht springen
  • een kat een kat noemen
  • een koekje van eigen deeg krijgen
  • een onsje minder
  • een pot pakken
  • van het hart een steen maken
  • voor een appel en een ei
  • al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding

Vertalingen

Engelsa, an, one
Fransun, une
Duitsein, eins
Spaansun, uno
Italiaansuno
Portugeesum
Russischодин
Chinees
Arabischواحد
Turksbir
Poolsjeden
Zweedsett
Deensen