Eilander

mannelijk (de)/ˈɛilɑndər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die op een eiland woont
    Terschellingers schrikken niet snel van een goede storm, zowel de eilanders als hun huizen zijn breedgeschouderd. Maar dat de windwijzer boven op de torenspits van de kerk in het dorp Midsland het maandag begaf, zat ze toch niet helemaal lekker. Het is een klassieke koperen haan, die futloos naar beneden hing, net als een paar bomen in de winkelstraat. Iedereen bleef maar beter binnen, in het dorp, of reed vlug met een Landrover naar het strand.Volkskrant TOINE HEIJMANS 29 oktober 2013

Etymologie

*afleiding van eiland

Vertalingen

Engelsislander
Fransinsulaire
DuitsInsulaner, Insulanerin
Spaansisleño, isleña
Italiaansisolano, isolana