Erin

/ɛrˈɪn/

Betekenis

bijwoord
  1. persoonlijk: *in+het, in+ze:
    Het zat erin verstopt.
    Er zat iets in verstopt.
    Het verbaasde Teresa dat Sarah erin was geslaagd om zichzelf in Santa Justa in de waterput te zien.

Uitdrukkingen

  • De klad erin brengenHet slechter gaan
  • De sokken erin zettenvluchten
  • De moed erin houdenblijven hopen op een goede afloop

Vertalingen

Engelstherein