Extra

onzijdig (het)/ˈɛkstra/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hetgeen men erbij krijgt (vaak als verkleinwoord: extraatje)
    Het bedrijf had meer winst gemaakt dan verwacht, zodat er voor het personeel ook wel een extraatje afkon in de vorm van een ruime winstuitkering.
    Doesburg: „Het extra dat dit toneelstuk biedt, is dat jullie personages, meer dan in het oorspronkelijke boek, vervuld zijn van tegengestelde gevoelens jegens Holleeder. Als toneelspelers kunnen jullie dat vertolken.
    Elke doos bevatte ontbijtrepen, noten, rozijnen, tortillas en noodles, aangevuld met wc-papier en pillen zoals vitamines en visolie. Om het een beetje leuk te houden stopte ik er ook een extraatje in zoals marshmallows, M&M’s of een frisbee.
  2. bijkomend
    U krijgt er nu een extra lampje bij.
    Eigenlijk had ik totaal geen honger, maar het was noodzakelijk zo veel mogelijk calorieën binnen te krijgen. Er zou die dag namelijk pas na 32 kilometer water te vinden zijn, waardoor ik zeven liter water boven op mijn basisuitrusting mee moest sjouwen. Dat zou me veel extra energie kosten.
    {{ouds
  3. (Limburg en Gelderland) opzettelijk
    Hij deed het extra.

Etymologie

* van Latijn """, onder invloed van """ als verkorting van "extraordinaire" "buitengewoon", in de betekenis van ‘bijkomend’ aangetroffen vanaf 1720 (zie vindplaats hieronder) en in die van ‘boven het gewone, bijzonder’ vanaf 1738

Vertalingen

Duitsextra, absichtlich