Fiks
Wat is de betekenis van Fiks?
Fiks betekent: groot, krachtig
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- groot, krachtig
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fiksen
- gebiedende wijs van fiksen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fiksen
Voorbeelden van "Fiks" in een zin
- Na wat onderhandelen heb ik een fikse korting bedongen.
- Zijn zelfvertrouwen heeft een fikse knauw gekregen.
- Ik fiks.
- Fiks!
- Fiks je?
Etymologie
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘flink, stevig’ voor het eerst aangetroffen in 1800
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek