fitheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de lichamelijke en geestelijke conditie van iemand
    De zieke man moest hard werken aan zijn fitheid om de operatie te kunnen doorstaan.
    Voor een 31-jarige verdediger was Boulahrouz met een salaris van 118.070 euro per maand niet goedkoop, maar Sporting had alle vertrouwen in zijn fitheid. Boulahrouz wordt “nog steeds regelmatig opgeroepen voor het Nederlands elftal”, juichte de club. NRC 7 december 2016

Etymologie

*afleiding van fit