energie

vrouwelijk (de)/enɛr'ʒi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het (fysiek) vermogen waarmee arbeid kan worden verricht
    Ik heb geen energie vandaag.
    Hier en daar gaat het wel even heuvelaf, maar het is te kort om nieuwe energie te verzamelen.
    Niemand wist wat dat blauwe licht was geweest, misschien statische energie van de storm of een bolbliksem?
  2. het (geestelijk) vermogen waarmee (denk)werk kan worden verricht
    Om langer dan een kwartier te studeren heeft hij geen energie genoeg.
  3. wetenschap, natuurkunde, elektronica (wetenschap), (natuurkunde), (elektronica) een natuurkundig begrip van arbeidsvermogen
    Een hoeveelheid "energie" (symbool: W) wordt uitgedrukt in joule (symbool: J) of bijv. kilowattuur (kWh)
    Deze accu heeft een totale energie van 0,32 kWh.

Etymologie

*Afkomstig van het Oudgriekse ἐνέργεια (werk, daad).

Vertalingen

Engelsenergy, energy
Fransénergie
DuitsEnergie
Spaansenergía, ánimo