kracht

mannelijk/vrouwelijk (de)/krɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) uitwendige oorzaak die de bewegingstoestand van een lichaam verandert (voor zover er geen andere oorzaak is die dat tegengaat)
    Volgens Newton is F gelijk aan het product m·a, waarbij F de kracht voorstelt, m de traagheid van het lichaam en a de versnelling van de beweging ervan.
    Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
  2. geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht
    Ik vertelde hem eerlijk dat ik geen kracht meer had om de pas over te steken en dat ik het erg fijn zou vinden om het de volgende ochtend samen met hem te doen.
    In die tijd zwommen we voornamelijk op kracht, dus je werd automatisch sneller naarmate je groeide.
  3. omvang van het vermogen om veranderingen te veroorzaken
    de kracht van dit instrument om de economie bij te sturen is dus groot
  4. factor die invloed uitoefent
    Wij stellen vertrouwen in de kracht van de burgers om hun eigen leefomgeving in te vullen.
  5. iemand die werkzaamheden verricht
    Zij was door haar tact een onmisbare kracht voor het bedrijf.

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands "cracht", uit Oudnederlands "kraft" ‘vermogen, sterkte’, ontwikkeld uit Oergermaans *krafti- ‘kracht; kennis’; verdere herkomst onbekend. Evenals Nederduits Kraft, Kracht, Duits Kraft, Fries krêft en Engels craft ‘vaardigheid’.

Uitdrukkingen

  • op eigen krachtgeheel zelfstandig zonder hulp van anderen

Vertalingen

Engelsforce
Fransforce
DuitsKraft
Spaansfuerza, savia, vigor
Italiaansforza
Japans
Koreaans
Turkskuvvet
Poolssiła
Zweedskraft