kracht
mannelijk/vrouwelijk (de)/krɑxt/
Wat is de betekenis van kracht?
kracht betekent: (natuurkunde) uitwendige oorzaak die de bewegingstoestand van een lichaam verandert (voor zover er geen andere oorzaak is die dat tegengaat)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) uitwendige oorzaak die de bewegingstoestand van een lichaam verandert (voor zover er geen andere oorzaak is die dat tegengaat)
- geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht
- omvang van het vermogen om veranderingen te veroorzaken
- factor die invloed uitoefent
- iemand die werkzaamheden verricht
Voorbeelden van "kracht" in een zin
- Volgens Newton is F gelijk aan het product m·a, waarbij F de kracht voorstelt, m de traagheid van het lichaam en a de versnelling van de beweging ervan.
- Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
- Ik vertelde hem eerlijk dat ik geen kracht meer had om de pas over te steken en dat ik het erg fijn zou vinden om het de volgende ochtend samen met hem te doen.
- In die tijd zwommen we voornamelijk op kracht, dus je werd automatisch sneller naarmate je groeide.
- de kracht van dit instrument om de economie bij te sturen is dus groot
Etymologie
*(erfwoord): Middelnederlands "cracht", uit Oudnederlands "kraft" ‘vermogen, sterkte’, ontwikkeld uit Oergermaans *krafti- ‘kracht; kennis’; verdere herkomst onbekend. Evenals Nederduits Kraft, Kracht, Duits Kraft, Fries krêft en Engels craft ‘vaardigheid’.
Uitdrukkingen
- op eigen kracht — geheel zelfstandig zonder hulp van anderen
Vertalingen
Engelsforce
Fransforce
DuitsKraft
Spaansfuerza, savia, vigor
Italiaansforza
Japans力
Koreaans힘
Turkskuvvet
Poolssiła
Zweedskraft
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek