luiheid

vrouwelijk (de)/ˈlœyhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het ontbreken van de wil iets te doen
    Als hij niks doet aan zijn luiheid wordt het nooit wat met hem.

Etymologie

* afgeleid van lui

Vertalingen

Engelslaziness
Fransparesse
DuitsFaulheit
Deensdovenskab