luiheid
vrouwelijk (de)/ˈlœyhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het ontbreken van de wil iets te doenAls hij niks doet aan zijn luiheid wordt het nooit wat met hem.
Etymologie
* afgeleid van lui
Vertalingen
Engelslaziness
Fransparesse
DuitsFaulheit
Deensdovenskab
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek