op

/ɔp/

Betekenis

voorzetsel
  1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op, zich bevindend te
    Het boek ligt op de tafel.
    Er staat ook een vaas op tafel.
    Haar schip is nog op zee
  2. in de buurt van: dicht op elkaar
  3. gelijktijdig met: op dat moment
  4. op enig moment gedurende: op een dag
  5. dragend als schoeisel: op blote voeten, op voetbalschoenen
  6. met gebruik van
    Deze auto rijdt op diesel.
  7. per (als bepaling van verhouding): 15 op de 100, de auto rijdt 1 op 10. mijl op zeven
    Negen op de tien Belgen sorteert zijn afval en twee op drie koopt energiezuinige producten.
  8. met een specifieke waarde
    De thermometer staat op 10 graden.
  9. in een toestand met
    Ze rijden op de rem.
    Zij voelde zich op haar gemak.
  10. aanwezig op een bepaalde plaats
  11. (Belgisch-Nederlands) bij (tussen twee getalswaarden die lengte en breedte aangeven)
    Toen ze nog op Texel woonden, duurde de reis langer dan nu ze in Alkmaar wonen.

Etymologie

#op weg: een gedeelte van een taak is volbracht

Uitdrukkingen

  • op en af rijden
  • als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel
  • als een vis op het droge
  • altijd op hetzelfde aanbeeld slaan
  • de kat op het spek binden
  • dol op
  • huilen met de pet op
  • lik op stuk

Vertalingen

Engelson, up
Franssur
Duitskurzfristig, irgendwann
Russischна