gezondheid

vrouwelijk (de)/ɣəˈzɔnthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) welbevinden, in goede staat zijn
    Zijn gezondheid was gelukkig niet in gevaar.
    Het was gek om mijn gezondheid helemaal in handen van deze wonderlijke techniek te leggen, maar het leek mij de meest efficiënte optie.
tussenwerpsel
  1. een uitroep als iemand niest of hoest

Etymologie

*Afgeleid van gezond .

Vertalingen

Engelshealth
DuitsGesundheit
Spaanssalud, sanidad
Turkssağlık, sıhhat, esenlik