Flank

mannelijk/vrouwelijk (de)/flɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zijkant van een samenhangend geheel
    Het legioen werd in de flank aangevallen.
  2. steile zijkant van een berg
    Hij woont in de buurt, het is naar schatting de dertigste keer dat hij hier staat, met enerzijds het uitzicht op de beboste flanken van de Vogezen en aan de zuidwestkant het glooiende laagland van de Haute-Saône.
  3. elektronica (elektronica) sterkst stijgende of dalende deel van een elektrisch signaal
  4. deel van een bastion dat aan de courtine grenst

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zijkant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1591

Vertalingen

Engelsflank, side
Fransflanc, flanc
DuitsFlanke, Flanke
Spaansflanco
Zweedsflank