zijde
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈzɛidə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- grenslijn van een tweedimensionale figuur of het grensvlak van een lichaamDe ene zijde is beschreven, de andere is leeg gelaten.Nella ziet haar echtgenoot weer voor zich, zoals hij in de schaduwen van de gang stond, gepekeld door de zee, met zijn geliefde hond Rezeki aan zijn zijde.Nella en Otto wachten, met Thea aan hun zijde.
- één kant van een conflict of een kant van een groepNa een paar jaar had iedereen aan beide zijden het steeds moeilijker zich te herinneren waar die hele oorlog nu eigenlijk om begonnen was
- zeer zachte stof gemaakt van cocons van de zijderupsDeze rok is van zijde.En kan ik het zelf wel verdragen om terug te gaan, zonder een groeiend kind waarover ik kan opscheppen? Onder mijn jurk van Bengaalse zijde blijft mijn buik plat, en mijn huwelijk is een nietszeggende triomf.Ze draagt nog steeds haar kostuum, een rok die net iets verder uitwaaiert en veel meer zijde bevat dan die van de meeste andere vrouwen, met plooien en banen die zo zijn ontworpen dat ze bij elk sprankje kaarslicht oplichten.
Etymologie
*[2] via Middelnederlands "side" en middeleeuws Latijn "sida" van klassiek Latijn "saeta" "borstelig dierenhaar"; cognaat met "Seide" dat ook op "sida" teruggaat en met "soie" en "seda" die zich uit "saeta" hebben ontwikkeld
Vertalingen
Engelsside, silk
Franscôté, flanc, soie
DuitsSeite, Seide
Spaanslado, seda
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek