zij

vrouwelijk (de)/zɛi/

Betekenis

voornaamwoord
  1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk,
    Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot?
  2. 3e persoon meervoud,
    Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie?
zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijk individu
zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) een van beide kanten van een lichaam.
    Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug.
  2. verouderd (verouderd) richting, of onderdeel dat in een richting te vinden is
  3. materiaalkunde (materiaalkunde) zachte, gladde stof gemaakt van cocons van de zijderups
werkwoord
  1. aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
    Het zij zo!

Etymologie

*[C] de stam van "zijn" met de weer afgesleten uitgang -e, vergelijk "sei"

Uitdrukkingen

  • de soep wordt nooit zo heet gegeten als zij wordt opgediend

Vertalingen

Engelsshe, they, side
Franselle, ils, elles
Duitssie, sie, Seite
Spaansella, ellos, ellas
Portugeesela, eles, elas
Russischона, они
Poolsona, oni, one