Gierzwaluw

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣirzwalyw/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gierzwaluwachtigen (gierzwaluwachtigen) bepaald soort vogel, , die als zomergast in de Benelux voorkomt
    Hij bezit prachtige foto's van vliegende gierzwaluwen.

Etymologie

*, naar het geluid dat ze in de paartijd maken; in de betekenis van ‘gierzwaluwachtige’ aangetroffen vanaf 1567

Vertalingen

Engelscommon swift, cipselo
Fransmartinet noir
DuitsMauersegler
Spaansvencejo común
Italiaansrondone
Portugeesandorinhão, gaivão, guincho
Poolsjerzyk
Deensmursejler