Gloria

vrouwelijk (de)/ˈɣlorija/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie (religie) (rooms-katholiek) gezang van de engelen bij Christus' geboorte en bepaald deel van de mis, waarbij vaak gezongen wordt
    Dan verkondigt een engel uit den hoge aan de herders dat de Verlosser geboren is, welke aankondiging gevolgd wordt door het gloria van een menigte engelen. De herders gaan op weg naar Bethlehem.
    De mis verliep oorspronkelijk volgens de bekende riten. Wij volgden de introitus, het confiteor, het kyrie eleison, de gloria.
  2. glansrijke roem
    Zij, de voormalige voetveeg, is simpelweg in de gloria, en daarbij vergeleken degradeert ieder ander alsnog tot voetvolk?
  3. lichtkrans om het hoofd
    ‘Zie je dat licht om haar hoofd wel?’ "Die gele kring neef?" ‘Uil! 't is de gloria of auréole. Weet jij dat niet, zoo'n vrome Mozes! Zieje, dat drukt de heiligheid uit; voor 't overige is ze wat luchtig gekleed, begrijp je, daar vallen veel liefhebbers op; b.... mooi, hê?’
  4. drinken (drinken) warme alcoholische drank met suiker
  5. jenever met suiker, die men brandend serveert
  6. mengsel van warme koffie met suiker en brandewijn

Etymologie

*van Latijn "gloria"

Uitdrukkingen

  • lang zal hij leven in de gloria