Greep

mannelijk (de)/ɣrep/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grijpende beweging om iets te omvatten, te bemachtigen
    We zijn een hoopje lichamen, huid op huid en hoofd op been, vier verschillende zelven die elkaar vormen en in de greep houden, liefhebben en soms verwensen, die zich op elkaar maar ook op de buitenwereld richten, op manieren die even standaard als onvoorstelbaar zijn.
  2. manier van aanvatten, hanteren
  3. toevallige, willekeurige keuze
  4. houvast, grip, begrip
    We hebben het over Casper, uiteindelijk komen alle lijnen uit bij hem, over zijn aanhankelijkheid, zijn verwardheid en hoe hij langzamerhand de greep op de wereld begon te verliezen, over Laurens onvermogen daar als tweelingzus iets aan te doen, over Annets verschrikkelijke worsteling en haar onvoorwaardelijke liefde voor hem, hoe hij haar soms als een gebruikt vaatdoekje achterliet, over de pijn die Annet voelde, haar eenzaamheid, over de pijn die Lauren voelde en haar eenzaamheid.
  5. de hoeveelheid die men in één keer kan grijpen
  6. handvat
  7. gereedschap waarmee men grijpt of steekt

Etymologie

*van Middelnederlands "grepe", in de betekenis van ‘het grijpen, handvat’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Uitdrukkingen

  • Grip / greep op iets krijgen
  • Van de gaffel in de greep vallen
  • in de greep zijn van ietsdoor iets heftig geëmotioneerd zijn
  • in de greep houdenveel aandacht opeisen

Vertalingen

Engelsgrasp
Spaansempuñadura, fuste, mango