Hals

mannelijk (de)/hɑls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
    Nella strekt haar hals om over de balustrade te kijken en ziet de volumineuze, onbekende reismantel van Johannes en zijn verrassend opgezwollen vingers.
    Daar stond het kleine Pietje bij de schimmel en aaide zachtjes over zijn hals.
  2. kleding, metonymisch (kleding), (metonymisch) gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt
    Aan hoe ik mijn moeder ook weleens grienend op de rand van het bed had aangetroffen, haar handen voor haar oren geslagen, nadat mijn zusje en ik voor de zoveelste keer hadden gevochten om meer badkamertijd of een bepaald shirt met een asymmetrische hals.
  3. informeel, pejoratief (informeel), (pejoratief) dom iemand, vooral van het mannelijk geslacht
    Onnozele hals!
  4. figuurlijk (figuurlijk) op een hals lijkend deel van bepaalde voorwerpen
    De hals van de fles.

Etymologie

* In de betekenis van ‘keel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080

Uitdrukkingen

  • n=1Iemand de strop om de hals doen|Iemand zwaar in de problemen brengen
  • n=1Iemand iets op de hals schuiven|Iemand met iets moeilijks opzadelen
  • n=1Iemand om hals brengen|Iemand op het leven brengen
  • n=1Iemand om de hals vliegen|Iemand vol enthousiasme begroeten of ontvangen, soms ook letterlijk omhelzen
  • n=1Zich iets op de hals halen|Voor zichzelf een probleem creëren
  • n=1Zich iets van de hals houden|Iets op afsand houden of niet accepteren

Vertalingen

Engelsneck
Franscou
DuitsHals
Spaanscuello
Italiaanscollo
Japans襟首
Turksboyun, ahmak
Poolsszyja
Zweedshals