Hals
mannelijk (de)/hɑls/
Wat is de betekenis van Hals?
Hals betekent: (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) nauw gedeelte van het lichaam dat het hoofd met de romp verbindt
- (kleding), (metonymisch) gedeelte van een kledingstuk waar men de hals door steekt
- (informeel), (pejoratief) dom iemand, vooral van het mannelijk geslacht
- (figuurlijk) op een hals lijkend deel van bepaalde voorwerpen
Voorbeelden van "Hals" in een zin
- Nella strekt haar hals om over de balustrade te kijken en ziet de volumineuze, onbekende reismantel van Johannes en zijn verrassend opgezwollen vingers.
- Daar stond het kleine Pietje bij de schimmel en aaide zachtjes over zijn hals.
- Aan hoe ik mijn moeder ook weleens grienend op de rand van het bed had aangetroffen, haar handen voor haar oren geslagen, nadat mijn zusje en ik voor de zoveelste keer hadden gevochten om meer badkamertijd of een bepaald shirt met een asymmetrische hals.
- Onnozele hals!
- De hals van de fles.
Etymologie
* In de betekenis van ‘keel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1080
Uitdrukkingen
- n=1 — Iemand de strop om de hals doen|Iemand zwaar in de problemen brengen
- n=1 — Iemand iets op de hals schuiven|Iemand met iets moeilijks opzadelen
- n=1 — Iemand om hals brengen|Iemand op het leven brengen
- n=1 — Iemand om de hals vliegen|Iemand vol enthousiasme begroeten of ontvangen, soms ook letterlijk omhelzen
- n=1 — Zich iets op de hals halen|Voor zichzelf een probleem creëren
- n=1 — Zich iets van de hals houden|Iets op afsand houden of niet accepteren
Vertalingen
Engelsneck
Franscou
DuitsHals
Spaanscuello
Italiaanscollo
Japans襟首
Turksboyun, ahmak
Poolsszyja
Zweedshals
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek