Hebreeën

meervoud/heˈbrejə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Israëlieten, Joden opgevat als volk in een beschrijving door anderen
  2. nomadisch volk dat in de Bronstijd leefde in de Levant

Etymologie

* afgeleid van Latijn "Hebraeus" dat via "Ἑβραῖος" (Hebraios) en het teruggaat op (Ivri) "voorbijgaand(e arbeider); iemand van de overkant (van de rivier, de Jordaan)"

Vertalingen

EngelsHebrews
FransHébreux
DuitsHebräer, Hebräerbrief
SpaansHebreos