Heffen

/ˈhɛfə(n)/

Wat is de betekenis van Heffen?

Heffen betekent: (ov) op opwaartse richting doen bewegen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) op opwaartse richting doen bewegen
  2. ov (ov) doen betalen, aanrekenen

Voorbeelden van "Heffen" in een zin

  • Zij hieven het glas om hem nog vele gezonde jaren toe te wensen.
  • Hij hief zijn wijs- en middelvingers in het vredesteken en vertrok zuidwaarts, de donkere ochtend in.
  • Daarop wordt veel belasting geheven.

Betekenis en uitleg van Heffen

Heffen betekent in essentie iets omhoog tillen of optrekken. Het kan zowel letterlijk gebruikt worden, zoals bij het tillen van een voorwerp, als figuurlijk, bijvoorbeeld in de context van belastingen of prijzen die worden verhoogd.

Het woord 'heffen' wordt vaak gebruikt in financiële of administratieve contexten, zoals het heffen van belasting of heffingen. Daarnaast kan het ook in een fysieke context voorkomen, zoals het heffen van een gewicht in de sportschool. Het gebruik van het woord kan variëren van formele situaties tot alledaagse gesprekken, afhankelijk van de context.

Voorbeelden

  • De leraar vroeg de leerlingen om hun handen te heffen als ze het antwoord wisten.
  • De gemeente heeft besloten de lokale belastingen te heffen om de infrastructuur te verbeteren.
  • Tijdens de training leerden de atleten hoe ze veilig zware gewichten konden heffen.

Woordoorsprong

Het woord 'heffen' komt van het Oudnederlands 'hevan', wat 'opheffen' of 'verheffen' betekent. Dit is verwant aan het Duitse 'heben' en het Engelse 'heave'.

Veelgestelde vragen over Heffen

Wat is de betekenis van Heffen?

Heffen betekent: (ov) op opwaartse richting doen bewegen

Hoeveel betekenissen heeft Heffen?

Heffen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Wat zijn synoniemen van Heffen?

Synoniemen van Heffen zijn: tillen, innen.

Hoe gebruik je Heffen in een zin?

Voorbeeld: “Zij hieven het glas om hem nog vele gezonde jaren toe te wensen.

Etymologie

*Zie ook hebbenWoordherkomst en -opbouw.

Vertalingen

Engelslift, raise, impose
Franslever, élever, percevoir
Duitsheben, erheben
Spaansalzar, elevar, levantar