Hem
/hɛm/
Betekenis
voornaamwoord
- (m)Ik zie de man -> ik zie hem.Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen. Het ging er volgens hem destijds heel anders aan toe dan nu. ‘Mijn rugzak woog wel 20 kilo, en nu loopt iedereen met dat ultralichte spul.
- (m)Ik geef de man een boek -> ik geef hem een boek.
Etymologie
* In de betekenis van ‘persoonlijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1200
Uitdrukkingen
- Hem / em / 'm smeren
- Hem loopt een luis over de lever. — Hij wordt boos.
- Als je hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand — als je iemand een beetje helpt, wil diegene altijd je hulp
- Als men over de duivel spreekt, dan trapt men hem op zijn staart. — het over iemand hebben en die dan plots tegen het lijf lopen, of iets gebeurt terwijl je het er net over had
- Dat zal hem geen windeieren leggen
- Dat zal hem niet glad zitten. — iets zal niet meevallen en moeilijk zijn
- De bolworm steekt hem
- De schellen vallen hem van de ogen. — plotseling iets begrijpen hoe het in elkaar steekt
Vertalingen
Engelshim, him
Fransle, lui
Duitsihn, ihm
Poolsjego, jemu
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek