Heugen

/ˈhøɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. onpr (onpr) in de herinnering bijblijven
    "Het zal je heugen!" sprak hij dreigend.
  2. ov (ov) in de herinnering oproepen
    "De Zeeusche stroomen heugen … van uw verliefde klagten"
  3. refl (refl) uit de herinnering oproepen
    ik heug me die middag nog goed.

Etymologie

*van Middelnederlands "hogen", op te vatten als afgeleid van "heug" , in de betekenis van ‘herinnerd worden’ aangetroffen vanaf 1330