Hof
/hɔf/
Wat is de betekenis van Hof?
Hof betekent: (n): (adel) de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (n): (adel) de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
- (n): (juridisch) een instelling waar recht gesproken wordt
- (m): (tuinieren) een stuk bebouwd land of tuin, gaard
- (m): houten omheining
- (n) boerderij, boerenwoning, hoeve
- (n) buitenverblijf, landgoed
- (n) binnenplaats, werf
- (m) (astronomie) halo
Voorbeelden van "Hof" in een zin
- De koning en de andere mensen aan het hof.
- Dit alles omdat Latijn de taal was die toegang gaf tot de universiteit, de rechtspraak, een kerkelijke carrière, of een baan aan het hof of in de diplomatieke dienst.
- Hendrik, die resideerde in Bergen op Zoom, moest immers ook regelmatig met zijn hele hofhouding naar het hof in Brussel, of naar Mechelen, waar de Grote Raad zetelde, of naar Leuven.
- Het hof sprak hem vrij.
- Ik had op de kaart gezien dat ik mij zo zou vastlopen in hoven en binnentuinen als een stier in een rode lap. Ik moest er niet van uitgaan dat Venetië een stratenplan had. Het was niet zo dat er ooit in redelijkheid was gebouwd op afgebakende kavels langs een rationele straatweg.
Etymologie
*> *hof- > Proto-Indo-Europees *keup-, gevormd uit *keu- «bocht, holte» met een achtervoegsel. Vgl Oudsaksisch hof, Oudhoogduits hof ( Hof), Oudnoors hof ( hov).
Uitdrukkingen
- Iemand het hof maken — Iemand complimentjes geven, hem/haar huldigen; tegenwoordig vooral gezegd van een man die een vrouw probeert te versieren [3]
- In zijn hof zijn — Zich amuseren, het leuk hebben, zich vermaken (vgl. in zijn sas zijn, in zijn schik zijn)
- Open hof houden — Stoett-914 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0926.phpv914 www.dbnl.org]
Vertalingen
Engelscourt, garden, farm
DuitsHof, Königshof, Gerichtshof
Spaanscorte, tribunal, corral
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek