Kastanje
mannelijk/vrouwelijk (de)/kɑsˈtɑɲə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor loofbomen uit het geslacht , vooral inheems in subtropische gebiedenDe Enschedese boomverkiezing op www.boomverkiezing.nl is gewonnen door drie 80 jaar oude moeraseiken aan de Papaverstraat in de Laares. Nummer twee werd de uitgegroeide kastanje aan de Deurningerstraat. De grootste mammoetboom van Twente in het Ledeboerpark werd derde. Er werden meer dan 400 stemmen uitgebracht. Tubantia 12-10-09 [https://www.tubantia.nl/enschede-e-o/drie-mooi-st-e-bomen~adca1130/ Drie mooi(st)e bomen]
- (plantkunde) eetbare vrucht van bomen uit het geslacht
Etymologie
*Via het Picardische castagne van het Oudfranse chastaigne, wat weer valt te herleiden tot het Latijnse castanea.<
Uitdrukkingen
- De kastanjes voor iemand uit het vuur halen — Iemand anders het gevaarlijke werk laten doen
Vertalingen
Engelschestnut, chestnut tree, chestnut
Franschâtaignier, châtaigne
DuitsKastanie, Kastanie
Spaanscastaño, castaña, castaña marrón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek