Klokbeker
mannelijk (de)/'klɔgbekər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (archeologie) een kenmerkende, klokvormige aardewerk beker uit de Klokbekercultuur (ca. 2500-1900 v.Chr.) in het laat-neolithicum en de vroege Bronstijd, genoemd naar de vorm die lijkt op een omgekeerde kerkklok, en die werd gebruikt voor huishoudelijke doeleinden en als grafgift bij de doden in grafheuvels
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek