klok
mannelijk/vrouwelijk (de)/klɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde), (tijdrekening) een instrument dat de tijd bijhoudtAls je wil weten hoe laat het is kijk je maar op de klok.Hoe laat is het?' Hoewel er een klok achter haar hing, draaide ze zich niet om.Maar hoe zat het met Isaac - met welke smoes konden ze hem hier houden? De pendule van de klok in de gang slingerde viermaal.
- (muziekinstrument) een belvormige idiofoon, vooral bekend van kerktorens en carillons
- (communicatie) een akoustisch waarschuwingsmiddel waarmee men geluidssignalen aan de bevolking kan gevenDe klokken luiden voor de aanvang van de mis, maar ook bij gevaar.
tussenwerpsel
- het geluid van een vloeistof die schoksgewijs door een vernauwing stroomtDaar glijdt je hand al onder je bed en grijpt een fles, daar zweeft hij door de lucht naar de handig aan de muur bevestigde opener en pats daar gaat de dop, de fles tussen de lippen gedrukt, klok, klok, klok, daar knap je van op.
- het geluid dat vogels als kippen en kalkoenen maken tijdens het uitbroeden van eieren en het grootbrengen van kuikensVerscheiden breedgevleugelde hennen lokten met een deftig klok, klok, klok, een troep van bonte vederloze kiekentjes tot zich, die met een hulpeloos gepiep tot haar beschermende vleugelen vloden, en elk diertje kende zijn eigen moeder.
Etymologie
*: (klanknabootsing)
Uitdrukkingen
- tegen de wijzers van de klok in — linksom
- De klok achteruit zetten — Terug naar oude toestanden gaan
- Een man van de klok zijn — Iemand die steeds precies op tijd is
- Daar kun je de klok op gelijkzetten — Gezegd van iets dat op gezette tijden plaatsvindt
- Met de regelmaat van een klok — Gezegd van iets dat zeer regelmatig voorkomt
- Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens — Weer thuis zijn, is het toch maar het beste
- Iets aan de grote klok hangen — Ruime bekendheid geven aan iets
- Dat klinkt als een klok — Een krachtig en gaaf geluid laten horen
Vertalingen
Engelsclock, bell
Franshorloge, cloche
DuitsUhr, Glocke
Spaansreloj, campana, campanilla
Italiaansorologio, campana
Portugeesrelógio, sino
Russischчасы
Chinees鐘, 钟, 時鐘
Japans時計
Arabischساعة
Poolszegar, dzwon
Zweedsklocka, ur, klocka
Deensur
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek