Kolk

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɔlk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een slurfvormige draaiing, met name in een watermassa
    Het kan gevaarlijk zijn voor een schip om in een kolk verzeild te raken.
  2. diepe kuil, plas of put gevuld met water

Etymologie

* In de betekenis van ‘maalstroom’ voor het eerst aangetroffen in 1389