Koning
mannelijk (de)/ˈkonɪŋ/
Wat is de betekenis van Koning?
Koning betekent: (regering)(adel) het mannelijk hoofd van een koninkrijk
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (regering)(adel) het mannelijk hoofd van een koninkrijk
- (kaartspel) een speelkaart waarvan de waarde meestal tussen die van de vrouw en de aas ligt
- (schaak) het belangrijkste stuk van het spel, dat bij schaakmat tot direct verlies leidt
- (spel) iemand die met koningschieten de laatste van de boom schiet
Voorbeelden van "Koning" in een zin
- Op 21 juli 2013 legde Filip de eed af als koning der Belgen.
- Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
- Denemarken ook nauwelijks, in de pers hadden ze het uitgebreid gehad over de gemoedelijke verhouding tussen de Deense bevolking en de Duitse gasten. De koning en de regering van Denemarken zaten nog op hun plaats en de samenwerking leek uitstekend te functioneren binnen de Germaanse verbroedering.
- Boer, vrouw, koning en aas.
- De koning staat mat.
Etymologie
* In de betekenis van ‘regerend vorst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- eet ontbijt als een koning, lunch als een prins en dineer als een arme
- ontbijt als een koning, lunch als een edelman en dineer als een bedelaar
- De klant is koning. — Men probeert altijd zo goed mogelijk aan de wensen van de klant te voldoen
- De koning te rijk zijn — Het heel goed hebben/heel blij zijn
- In het land der blinden is eenoog koning. — Iemand met geringe kennis of maar weinig vaardigheden, munt toch uit in een gezelschap van personen die nog minder weten of nog minder vaardigheid hebben
- in het land der blinden is eenoog koning
- Leven als een koning — Veel geld uitgeven
- Zijn haan moet altijd koning kraaien — een bepaald iemand moet altijd z'n gelijk krijgen of zin krijgen
Vertalingen
Engelsking, king
Fransroi
DuitsKönig
Spaansrey
Italiaansre
Portugeesrei
Russischкороль
Chinees国王
Japans国王, 王様, 王
Koreaans임금, 왕
Arabischمَلِكٌ
Turkskral, papaz, şah
Poolskról, król
Zweedskung
Deenskonge
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek